Een ontmoeting met een bijzonder leven
Op een goede twintig minuten rijden van de stad verandert het landschap abrupt. In een wijk in Niederanven stappen we uit in een oase van rust waar alleen de vogels de stilte doorbreken met hun gekwetter. Wanneer er na het aanbellen niets gebeurt, kijkt mijn fotograaf Raoul Somers me vragend aan. We hebben toch een afspraak, lijkt hij mij te vragen. Dan klinkt een vrolijk “Welkom!”, alsof de stilte zelf de deur opent.
Het interieur valt op door schilderijen in felle tinten. Zij sieren niet alleen de muren, maar staan her en der in de kamer te pronken. Vanwege de lichtval kiest Raoul de serre waar we het gesprek kunnen voeren. Opeens schuift een kaneelkleurige Britse korthaar aan alsof hij deel uitmaakt van het bezoek.
“Vanuit school was mij geleerd niet te jokken.”
Johanna, in 1938 in Delft geboren, begint te vertellen. Haar eerste herinneringen stammen uit de laatste oorlogsjaren: het koffertje naast haar bed en de nacht dat ze via de achtertuin moest vluchten. Haar vader zat ondergedoken in een ingebouwde linnenkast waarover ze bij razziabezoeken niets mocht zeggen.
“Vanuit school was mij geleerd niet te jokken, maar moeder zei dat ik best wel een leugentje om best wil mocht vertellen. Erg verwarrend voor een klein kind.”

Ze was wat je noemt een echt buitenkind en erg leergierig. Na de lagere school vond haar moeder dat ze naar de huishoudschool moest. Met steun van haar hoofdmeester ging ze naar het lyceum, studeerde ze Engels en daarna Nederlands.
“Als je één keer blijft zitten, dan is het gelijk afgelopen”, had haar moeder waarschuwend gezegd. Tijdens haar studie begint ze met doceren op een kweekschool voor kleuterleidsters in Rotterdam. Nog voordat ze haar diploma had, werd ze gevraagd om naar haar oude school, het CLD in Delft te komen.
“Ik wilde helemaal niet naar Luxemburg”
Na een uitwisselingsjaar in Amerika komt het gezin met vier kinderen in 1970 naar Luxemburg, alwaar de vijfde wordt geboren. Haar man had gesolliciteerd op een baan bij de Europese school en werd, zoals dat heette, uitgezonden. Na het sollicitatiegesprek, op de weg terug naar Nederland, heeft ze de hele weg gehuild.
“Ik wilde helemaal niet naar Luxemburg. Ik wilde dat de kinderen bij hun grootouders konden zijn.”
Het duurde even voordat ze haar draai had gevonden. Ze ervaart een sterk gesloten Luxemburgse gemeenschap en ze kan geen werk vinden.
“Leer de taal, dat is de sleutel”, zegt ze. “Gebruik verder je creativiteit en volg je hart.”
“Jullie lijden aan Luxemburgitis!”
Zo begint ze in 1972 een klein boekwinkeltje en verzorgt ze onder andere de boeken voor de Nederlandse boekenlijst van de Europese school. Gefascineerd in de mens begint ze een studie in Trier en krijgt in 1982 haar diploma als psychologe, waarna ze snel haar eigen praktijk opent. Haar patiënten waren divers van afkomst. Onder hen een aantal Nederlandse vrouwen die zich verloren voelden.
“Jullie lijden aan Luxemburgitis!”, zei ze. “Ik heb dat zelf ook meegemaakt, maar ik ben gaan studeren. Zoek iets waar je interesse in hebt.”

Johanna is iemand die vaak gevraagd is in haar carrière: in 1985 is zij medeoprichtster van de SLP, de Luxemburgse psychologenbond, en meteen ook voorzitter. Later, in 1992, wordt ze directeur van S.O.S. Détresse, een anonieme hulplijn. Vanaf 1995 doet ze alleen nog haar zelfstandige praktijk psychotherapie als zij een studie T.A.-therapeut in Nederland heeft afgerond.
Tussendoor springt de poes op mijn schoot, graait mijn pen weg en vlijt zich neer op mijn vragenlijst. Johanna vertelt onverstoorbaar verder, terwijl Raoul het geheel lachend vastlegt.
Wanneer ik haar naar een blije herinnering vraag, begint ze te stralen: de diploma-uitreiking van een van mijn kinderen. Haar ouders waren op vakantie maar verschenen onverwachts toch bij de plechtigheid.
“Vader verscheen in een korte broek. Ik moet er nog om lachen. De kinderen waren gek op hen.”
Op de vraag hoe ze herinnerd wil worden, denkt ze even na.
“Warm, meelevend en optimistisch”, zegt ze. Eigenschappen die ze herkent van haar moeder. En als ze één vaardigheid terug mocht krijgen, zou dat haar loopvermogen zijn.
“Ik heb altijd veel gelopen. Dat zou ik graag weer willen.”
“En ik doe elke dag een dutje.”
Sinds haar pensioen in 2005 is ze allesbehalve stilgevallen. Ze doet zelf de boodschappen, leest veel, biedt hulp in een nabijgelegen bejaardentehuis en bood vier jaar lang onderdak aan een Oekraïense vrouw.
“En ik doe elke dag een dutje. Dat is heerlijk”, zegt ze met een glimlach.
Een groot deel van de schilderijen in huis is eigen werk. Als ik naar haar bucketlist vraag, schudt ze haar hoofd.
“Ik hoef niets meer. Het is goed zo. Ik leef voor het gemak. Vorige week nog met de Flixbus naar Nederland – heerlijk was dat, na vijf maanden thuisblijven voor de poes.”

In haar slotwoord wil Johanna graag een misverstand rechtzetten: haar praktijk was er niet alleen voor Nederlanders zoals veel mensen denken.
“Slechts 20 procent”, zegt ze. “De rest was heel divers.”
Nog een kop koffie en een aai voor de poes, vertrekken we weer. We rijden de rust uit, de drukte weer in, maar de rust blijft nog even in ons hoofd nazinderen.
Tekst: Hans Rol
